Home
Samenvatting 25 maart 2015 Sinds de vorige editie van de klimaatmonitor (1 juli 2014) hebben zich enkele belangrijke ontwikkelingen voorgedaan. 1. Het jaar 2014 sloot in de meeste datasets af met een boekhoudkundig record voor de gemiddelde globale temperatuur. In januari 2015 kwam Nasa triomfantelijk als eerste met dit nieuws naar buiten. Pas enkele dagen later gaf Nasa in antwoord op kritische vragen van journalisten toe, dat het verschil met het oude record (2010) slechts 0,026 graden was. Bij een onzekerheid van 0,1-0,2 graden is het record dus niet significant, en dat geldt voor elk record na 1998: geen enkel jaar na 1998 is significant warmer geweest dan dat jaar. Het weglaten van zulke essentiële feiten in een persbericht is kenmerkend voor propaganda-organisaties, maar is in de wetenschap ontoelaatbaar. 2. In de nieuwe dataset van het Britse klimaatonderzoekeenheid CRU (HadCrut4) is 2014 0,008 graden warmer dan 2010, en 0,028 graden warmer dan 1998. Deze verschillen zijn niet significant. De CRU concludeert dan ook naar waarheid, dat zij sinds 1998 geen significante globale opwarming hebben waargenomen. De ontwikkeling van de gemiddelde globale temperatuur loopt inmiddels 0,3 graden achter bij de ontwikkeling die klimaatmodellen in 2007 voorspelden. Dit verschil is wel significant. Klimatologen noemen dit achterblijven van de temperatuur ten opzichte van de voorspellingen ‘het hiaat’. Ik geef zelf de voorkeur aan de minder verhullende formulering ‘stagnatie van de opwarming’. waarvoor in de wetenschappelijke literatuur vele verklaringen zijn gesuggereerd, maar waarvan nog geen enkele verklaring brede instemming heeft. 3. In Nederland werd in 2014 wel een significant temperatuurrecord geregistreerd. De gemiddelde temperatuur in De Bilt kwam uit op 11,71 graden, waarmee de oude records van 11,23 graden uit 2006 en 2007 met bijna een halve graad overschreden werden. Zoals ik in de Volkskrant heb aangetoond (4 november 2015) houdt dit geen verband met de globale opwarming (want die stagneert) maar met een toevallige samenloop van omstandigheden, waardoor Nederland in 2014 kon genieten van een overmaat aan zuidelijke luchtstromen, die vooral in het voorjaar en najaar van 2014 warme lucht uit Spanje en Noord-Afrika aanvoerden. Verder valt over de ontwikkeling van het klimaat t/m 2014 het volgende te concluderen: De stijging van het CO2-gehalte van de atmosfeer gaat door in een regelmatig tempo, met jaarlijkse schommelingen die te maken hebben met de verschillen in plantengroei tussen het noordelijk en zuidelijk halfrond. De stijging van het CO2-gehalte versnelt licht. Opmerkelijk is, dat er weinig relatie is tussen de jaarlijkse CO2-uitstoot en de stijging van het CO2-gehalte van de atmosfeer. Uit de afwijking van de gemiddelde maandtemperaturen ten opzichte van het klimatologisch gemiddelde is voor Nederland sinds 1997 geen enkele opwaartse trend af te lezen. Deze conclusie is ook na de vele warme maanden van 2014 robuust. Van 1980-1997 is de temperatuur in Nederland gemiddeld met 1,2 graden gestegen, maar sinds 1997 stagneert deze opwarming. De opwarming in de periode 1980-1997 houdt verband met een klimaatverschuiving die zich in grote delen van Europa voordeed.  De gevolgen van de opwarming zijn tot dusver beperkt gebleven. De zeespiegel stijgt sinds het begin van de satellietmetingen (1993) met een constante snelheid van 3,2 mm per jaar. Er is geen enkele aanwijzing, dat de de stijging van de zeespiegel versnelt. Als de Nederlandse stranden niet dalen, staat het water daar in het jaar 2100 gemiddeld 20 tot 30 cm hoger dan nu. Het zee-ijs rond de Noordpool is sinds 1978 per jaar met 57.600 km2 afgenomen. Dat is een gebied anderhalf keer Nederland. Rond het Zuidpoolgebied is het zee-ijs in die periode met 14.400 km2 toegenomen. In totaliteit is het zee-ijs in de beide poolgebieden met 44.400 km2 afgenomen. Hoewel er in de jaarlijkse maxima en minima schommelingen optreden, is het totaalbeeld toch, dat de afname van de hoeveelheid zee-ijs doorgaat. In september 2012 werd de kleinste omvang van het Noordpoolijs gemeten: 3,61 miljoen km2, nog maar 45% van de omvang in 1980. Als de afname in hetzelfde tempo doorgaat, zou over 30-40 jaar het hele Noordpoolgebied in september ijsvrij kunnen zijn. Dit heeft voordelen en nadelen. In tegenstelling tot wat velen denken neemt het aantal hete dagen in Nederland niet toe. Het gemiddelde aantal tropische dagen (dagen met maximumtemperatuur van 30 graden of hoger) was in de jaren 1940 niet lager dan rond het jaar 2000. Het grootste aantal tropische dagen en ook het absolute temperatuurrecord voor Nederland werd geregistreerd in 1947. Bij het winterweer in Nederland is wel sprake van een duidelijke opwarmende trend. Het aantal ijsdagen (dagen met maximumtemperatuur beneden nul) vertoont sinds het begin van de jaren 1940 een licht schommelende dalende trend. Koude en strenge winters zijn vaak in clusters opgetreden, die een opmerkelijk verband houden met de minima in de 11-jarige cyclus van de zonnevlekken. Dat verband was ook in bij de winters van 2008 t/m 2012 zichtbaar, maar de strengheid van die winters was maar half zo groot als die van de winters rond 1996 en 1985 en nog geen kwart van de grote winters van de jaren 1940. Hoewel deze ontwikkeling in sportief opzicht een verarming van ons klimaat genoemd kan worden, hebben zachte winters ontegenzeggelijk grote economische voordelen. De jaarlijkse hoeveelheid neerslag in De Bilt is in ruim een eeuw met 12% toegenomen. Het aantal dagen met veel neerslag (meer dan 20 mm) nam na 1956 in vrij korte tijd toe met 50-100%. Het aantal dagen met extreem veel neerslag (meer dan 30, 40, 50, 60 mm per dag) vertoont in ruim een eeuw geen significante trend. Er is geen significante relatie tussen de globale of regionale opwarmingstrends en de toename van (extreme) neerslag . Figuur 1 Globale gemiddelde temperatuur. Klik op de figuur voor een vergroting. In 2014 is de Britse Hadley Climate Research Unit definitief overgegaan op versie 4. De publicatie van updates van HadCRUT3 is in mei 2014 beëindigd. Daarom ga ik in deze klimaatmonitor thans ook over op HadCRUT4. Over de verschillen tussen deze datareeksen volgt hieronder bij figuur 2 een toelichting.  Net als in de data van HadCRUT3 is te zien dat de globale temperatuur sinds 1850 golvend is gestegen met ongeveer 0,8 graden. De zwarte lijn is de voortschrijdende gemiddelde trendlijn, ontdaan van hoog frequente ruis (berekend met de LOESS- methode). In HadCRUT3 was 1998 het warmste jaar, in HadCRUT4 is deze positie boekhoudkundig overgenomen door 2014, maar de verschillen tussen de jaren 1998, 2005, 2010 en 2014 zijn statistisch niet significant.  De jaren 1999 en 2000 waren ongeveer 0,24 graden kouder dan 1998. Mede hierdoor vlakt de trendlijn na 2000 af. De periode vanaf 2000 is te kort om van een stabilisatie van het klimatologisch gemiddelde te spreken. Toch werd tot voor kort in de wetenschappelijke literatuur een stagnatie van hoogstens 15 jaar aangemerkt als nog niet in strijd met de modeluitkomsten die een forse doorgaande opwarming voorspellen. Nu die termijn - ondanks het boekhoudkundige record van 2014 - dreigt te worden overschreden zal de klimaatwetenschap het feit onder ogen moeten zien, dat de klimaatmodellen de te verwachten opwarming waarschijnlijk sterk hebben overdreven, en dat de snelle opwarming van 1970 - 2000 voor een deel aan factoren moet worden toegeschreven die door de modellen niet goed worden weeregeven. Het feit, dat de opwarming misschien mee valt is niet erg. Integendeel, dat is goed nieuws voor moeder Aarde en haar bewoners. Het zou wel erg zijn, als de klimaatwetenschap blind en doof zou blijven voor wat de cijfers ons te zeggen hebben. Computermodellen zijn buitengewoon knappe producten van de menselijke geest, maar zij kunnen de feiten nooit vervangen.      Figuur 2 Vergelijking van verschillende datareeksen van de gemiddelde temperatuur. Klik op de figuur voor een vergroting. Een globale temperatuur bestaat niet. Dat hebben Essex, McKitrick en Andresen in 2006 overtuigend aangetoond. Ze lieten zien, dat je op grond van identieke data  verschillende wereldgemiddelden kunt berekenen. Daarmee kun je laten zien dat de aarde opwarmt, maar ook dat hij afkoelt. De klimaatwereld was not amused, maar deze figuur laat hun gelijk zien. We zien hier maar drie datasets, maar toch geven ze voor de laatste 18 jaar verschillende trends: lichte afkoeling, lichte opwarming of sterke opwarming. Althans, dat lijken de lijntjes te zeggen. De onzekerheid in de data is groot, ongeveer even groot als de pieken en dalen in de afzonderlijke lijnen. Dat relativeert de verschillen wel. HadCRUT3 is jarenlang de toonaangevende datareeks geweest. In de nasleep van ClimateGate en naar aanleiding van de fouten die in het vierde rapport van het IPCC (AR4, 2007) aan het licht waren gekomen werd de CRU gedwongen om zijn data nog eens grondig te bezien en een aantal rekenmethoden aan te passen. Dat resulteerde in HadCRUT4, dat een paar jaar parallel aan HadCRUT3 werd gepubliceerd. In mei 2014 werd voor het laatst een update van HadCRUT3 gegeven, zodat deze datareeks nu definitief verouderd is. Nauwkeurige bestudering van deze figuur (klik op de figuur voor een vergroting) laat niet zo grote verschillen zien tussen nummer 3 en 4. HadCRUT4 is hoger dan HadCRUT3 van 1910-1930, 1950-1970 en 2000-2014, en ongeveer gelijk aan HadCRUT3 voor 1910, van 1930-1950, en van 1970-2000, waarbij moet worden opgemerkt dat de verschillen vrijwel nooit significant zijn. Het Goddard Institute for Space Studies (GISS) onderhoudt ook een datareeks van de gemiddelde globale temperatuur. De rekenmethode van GISS is complexer dan die van HadCRUT. Voor gebieden met weinig meetstations extrapoleert GISS de metingen van stations aan de rand van die gebieden. Daardoor leggen de temperaturen in de poolgebieden bij GISS meer gewicht in de schaal dan bij HadCRUT. Ook worden satellietmetingen gebruikt om donkere plekken op aarde op te sporen. Met de metingen in die donkere plekken worden de cijfers voor stedelijke gebieden gecorrigeerd. Dit alles resulteert in een voor buitenstaanders oncontroleerbare database. In figuur 2 is te zien, dat GISS in bepaalde perioden vrijwel samenvalt met HadCRUT (rond 1890, 1960-1975) en dat GISS in grotere uitschieters vertoont dan HadCRUT. Maar het meest opvallend is, dat GISS in de periode na 1998 duidelijk wegloopt van HadCRUT. Hoewel in deze korte periode de verschillen binnen de GISS-reeks niet significant zijn (het 95% betrouwbaarheidsinterval is ongeveer 0,2 graden breed) wekt dit wel de indruk, dat de GISS-procedures zijn aangepast om in de recente periode zo veel mogelijk opwarming te laten zien. Voor mij is GISS daarom een verdachte bron, temeer, daar de man die daar decennialang aan de leiding heeft gestaan, James Hansen, zich duidelijk exponeert als klimaatactivist en niet als objectieve wetenschapper. Ook zijn opvolger Gavin Schmidt heeft o.a. dankzij de Climategate-documenten een soortgelijke reputatie. Figuur 3 Globale trend per maand in de laatste 18 jaar. Als we inzoomen op de meest recente periode, dan laat vergelijking van HadCRUT4 (rechts) met HadCRUT3 (links) zien, dat men er in is geslaagd een opwarmingstrend te krijgen door de globale temperatuur in de jaren tot en met 1999 onveranderd te laten en in de latere jaren hogere temperaturen te geven. Bij HadCRUT3 was er in deze periode een niet significante opwarmingstrend van 0,0002 graad per maand (0,24 graad per eeuw). Bij GISS is er dezelfde periode een trend van 0,0017 graad per maand (2 graden per eeuw). Bij HadCRUT4 is er een wel significante opwarmingstrend van 0,0006 graad per maand (0,72 graad per eeuw), nog steeds maar een derde van de trend bij GISS, maar HadCRUT4 is handig ergens midden in het gat tussen HadCRUT3 en GISS gaan zitten. Wil degene die dit alles nog geloofwaardig vindt nu opstaan?? GISS en HadCRUT geven hiermee, waarschijnlijk zonder dat ze dit bewust beoogd hebben, 9 jaar na de publicatie van Essex, McKitrick en Andresen een fraaie bevestiging van hun stelling: ‘een globale temperatuur bestaat niet’. Figuur 4 CO2-concentratie in de atmosfeer De CO2-concentratie in de atmosfeer wordt regelmatig gemeten op de vulkaan Mauna Loa. De grafiek laat een fraai seizoenseffect zien. Als het op noordelijk halfrond zomer is, groeien er meer planten, en neemt de CO2-concentratie af. Op het zuidelijk halfrond groeien minder planten en daardoor neemt de CO2-concentratie toe als het daar zomer is. De grafiek laat ook zien, dat de toename van de CO2-concentratie versnelt. Dat is logisch omdat de uitstoot van CO2 wereldwijd toeneemt, behalve in een aantal zeer beschaafde landen in West-Europa zoals het Verenigd Koninkrijk en Nederland. Het meest opmerkelijk aan deze grafiek is het zeer regelmatige verloop. Deze grafiek is de uitkomst van een groot aantal natuurlijke processen en technische en economische ontwikkelingen. Men zou verwachten, dat de grafiek een onregelmatig fluctuerende stijging zu vertonen. Dat is echter nauwelijks het geval. De grafiek geeft een zeer regelmatige jaarlijkse schommeling rond een vrijwel perfecte parabool. Met andere woorden, de grafiek is veel te voorspelbaar. Bij de beweging van hemellichamen kan dat, maar bij een complexe  combinatie van natuurlijke en menselijke oorzaken is dat zeer onwaarschijnlijk. Wat zou hier aan de hand zijn? Het is bekend, dat er dagelijks gemeten wordt, maar dat niet op alle dagen de metingen geschikt zijn. De windrichting kan zodanig zijn dat gassen van de vulkaan of vegetatie de metingen beïnvloeden. De metingen van zulke dagen worden niet meegeteld, maar in de plaats daarvan worden ontbrekende waarden geïnterpoleerd met een rekenmodel. Dat lijkt een valide procedure. Maar dat kan niet tot gevolg hebben dat de resultante van grillige natuurlijke, technische en economische processen in het keurslijf van een parabool wordt geperst. Er gebeuren vreemde dingen, daar op Mauna Loa! Figuur 5 CO2-concentratie in de atmosfeer en de uitstoot van CO2. De CO2-concentratie van de atmosfeer stijgt o.a. als gevolg van het verbranden van fossiele brandstoffen. Daaraan hoeft niet getwijfeld te worden. Vergelijking van de isotopensamenstelling van fossiele koolstof en van door planten en dieren geproduceerde CO2 bevestigt dat. Figuur 5 laat naast elkaar de jaarlijkse emissie zien, en CO2-gehalte  in de atmosfeer. Het seizoenseffect in de CO2-concentratie is uitgemiddeld, zodat de curve gereduceerd wordt tot een strakke parabool. Het nulpunt op de rechter as is bij 280 ppmv gelegd, wat algemeen wordt gezien als de CO2-concentratie bij het begin van industriële revolutie. Daardoor zijn de twee curven goed vergelijkbaar.  Het is zeer opmerkelijk, dat er geen enkel verband lijkt te bestaan tussen de schommelingen in de wereldwijde koolstof-emissies en de CO2-concentratie in de atmosfeer. In tijden van economische crisis daalt de emissie soms, het duidelijkst is dat in de grafiek te zien van 1979 tot1982. In perioden waarin landen als China en India snelle groei doormaken stijgt de emissie sterker dan anders. Dat zien we duidelijk in de grafiek van 2003 tot 2006. Maar het CO2-gehalte in de atmosfeer volgt onverstoorbaar zijn parabolische koers. De statistieken van de koolstof-emissies zijn een optelsom van statistische gegevens van afzonderlijke landen. Dat is een minder robuuste procedure  dan dagelijkse metingen op een vast punt op een hoge berg. Maar het blijft curieus, dat er op die hoge berg niets anders te meten is dan een parabolische curve. Alle economische gewoel schijnt daar niet door te dringen. Er gebeuren vreemde dingen op Mauna Loa! Of zouden we misschien net als Essex c.s. moeten zeggen: ‘een globale CO2-concentratie bestaat niet’? Figuur 6 CO2-gehalte van de atmosfeer in de laatste 10 jaar. In figuur 6 is ingezoomd op de laatste 10 jaar. Het seizoenseffect veroorzaakt geen regelmatige sinusfunctie, maar een langzame stijging van september tot mei (8 maanden) gevolgd door een snellere daling van mei tot september (4 maanden) als de planten op het noordelijk halfrond groeien en CO2 opnemen. In de langzame stijging van september tot mei is in veel jaren een klein schoudertje te zien rond de  maand februari. Dat ligt misschien aan de plantengroei op het zuidelijk halfrond, maar het effect is te klein om dat met enige zekerheid te zeggen. Wel kan met zekerheid gezegd worden dat de grote bosbranden die Rusland in de zomer van 2010 troffen het CO2-gehalte van de atmosfeer in het geheel niet hebben beïnvloed: de daling van het CO2-gehalte in de zomer van 2010 is in deze grafiek volstrekt normaal. We zullen moeten afwachten of de stabilisatie van de koolstof-emissie die zich volgens diverse internationale kranten in 2014 zou hebben voorgedaan zich ook gaat vertalen in een stabilisatie van het CO2-gehalte van de atmosfeer. Wie weet, misschien lezen ze op Mauna Loa die kranten ook.  Figuur 7 Zonnevlekken sinds 1750 Zonnevlekken treden op in cycli van ongeveer 11 jaar. Tijdens een maximum zijn er in een maand gemiddeld 60 tot 250 zonnevlekken te zien. Tijdens een minimum daalt dat tot dicht bij nul. Zonnevlekken zijn een maat voor de zonne-activiteit, niet zo zeer voor de totale hoeveelheid licht en warmte die we van de zon krijgen, maar ze zijn wel een maat voor de toestand waarin de zon zich bevindt. De zon is niet zomaar een felle lamp die de aarde verlicht en verwarmt, maar is een ster waarin onder zeer uiteenlopende temperatuur en druk complexe processen plaatsvinden. Dat uit zich in een periodiek veranderend  magnetisch veld dat niet alleen rechtstreeks het magnetisch veld van de aarde beïnvloedt, maar dat ook grote invloed heeft op de kosmische stralen die de aarde bereiken. Ook de hoeveelheid ultraviolette stralen die de zon uitzendt schommelt met vele procenten. Zonnevlekken zijn een indicator van de magnetische activiteit van de zon. Deze indicator is eenvoudig bij te houden en er bestaat een waarnemingsreeks vanaf 1750. Hoewel niemand kan instaan voor de homogeniteit van deze datareeks (want in 1750 had men wel iets andere instrumenten ter beschikking dan in 2015) laat deze figuur zien, dat de aantallen zonnevlekken cyclisch variëren met een periode van ongeveer 11 jaar. In elke periode daalt het aantal zonnevlekken naar nul of vrijwel nul. De maxima variëren sterk. In de hoogte van de maxima zit geen regelmatig verloop: na een piek van 240 vlekken in 1778 daalden het maximum in de loop van twee cycli naar 62 in 1804. Daarna zat er een onregelmatige beweging in, die met golven van 25-75 jaar opklom naar een nieuw absoluut maximum van 254 in 1957. Momenteel lijkt de zon op weg te zijn naar een nieuw dieptepunt in haar activiteit dat vergelijkbaar is met de toestand in 1880 of zelfs in 1804.  De relatie tussen zonne-activiteit en het aardse klimaat is omstreden. Het officiële standpunt van het Centraal Klimaatcomité (alias het IPCC) is, dat er geen mechanisme bekend is, dat de relatie tussen zonne-activiteit en klimaat kan verklaren, en dat er dus weinig vertrouwen is in de invloed van de zon op het klimaat. Hypothesen zijn er genoeg, en er zijn ook wel empirische aanwijzingen, maar het aantal publicaties en de variaties in methodiek zijn in de ogen van het IPCC nog te gering om conclusies te trekken. Dat kan zo zijn, maar we moeten ook onderkennen, dat het vinden van relaties tussen de zon en het klimaat niet tot het doel van het IPCC behoort. Het IPCC dient immers de invloed van menselijke factoren op het klimaat te evalueren. Als er dominerende andere factoren gevonden worden, zou de hoofddoelstelling van het IPCC overbodig worden, en dat is iets wat geen enkele organisatie nastreeft. De conclusie van het IPCC dat de zon weinig invloed op het klimaat heeft dient dan ook met gezond wantrouwen te worden bekeken. Figuur 8 Relatie tussen zonnevlekken en winterweer in Nederland In de strengheid van de winters in Nederland is een golfbeweging te herkennen, die de laatste 80 jaar ongeveer overeenkwam met de zonnecyclus. De minima in de zonne-activiteit vielen bij benadering samen met het optreden van groepjes koude winters: omstreeks 2010, 1996, 1985, 1963, 1954, 1942 en 1930 waren er telkens meerdere koude winters. Rond 1976 is het verband het zwakst: in dat jaar was er wel een ijswintertje, maar in de aangrenzende jaren tussen 1973 en 1977 was daar absoluut geen sprake van. De topwinter van 1979 (de strengste na 1963) valt juist samen met het maximum van de zonne-activiteit. In de eerste decennia van de 20ste eeuw was het verband nauwelijks aanwezig. Weekblad Elsevier voorspelde in 1997 op grond van de zonnevlekkencyclus dat de volgende Elfstedentocht in 2009 zou plaatsvinden. Dat is niet gebeurd, maar rond het laatste zonnevlekminimum dat meerdere jaren aanhield zijn wel 5 schaatswinters opgetreden. In één daarvan (2012) zijn de ijsmeesters van de Friese steden voor het eerst sinds 1997 daadwerkelijk bijeengekomen om te zien of een tocht mogelijk was. Het mag duidelijk zijn, dat meer factoren dan alleen de zonnevlekken van invloed zijn op de strengheid van Nederlandse winters. De gemiddelde strengheid van de winters vertoont sinds 1940 een dalende trend met schommelingen die ongeveer overeen komen met de zonnecyclus. Het lijkt niet waarschijnlijk, dat de zonne-aciviteit de enige factor is die de verandering van het klimaat bepaalt. Evenmin lijkt het waarschijnlijk, dat alleen de uitstoot van broeikasgassen de oorzaak is, want de grote groei in de koolstofuitstoot vond veel later plaats dan het begin van de afname van de winterkou in Nederland. Veranderingen in stromingspatronen hebben waarschijnlijk minstens zo veel invloed op het klimaat in Nederland als de zon en de koolstofuitstoot. Zonne-onderzoekers verwachten, dat de zonne-activiteit in volgende cycli verder zal afnemen. Het laatste minimum duurde abnormaal lang, waardoor de laatste cyclus werd uitgerekt tot 14 á 15 jaar. Dat kan een voorbode zijn van een periode van zeer lage zonne-activiteit. Zelfs een minimum als van 1650 - 1750 is opgetreden wordt niet uitgesloten. Dat zou een nieuwe ‘Kleine IJstijd’ tot gevolg kunnen hebben. Daar kunnen we beter niet naar verlangen. Misschien zal over 30 jaar blijken, dat we dankzij broeikasgassen die dans zijn ontsprongen. Figuur 9 Zeespiegelstijging volgens peilschalen Het gemiddelde niveau van de zeespiegel kan op twee manieren worden gemeten: (1) met peilschalen in havens en andere plaatsen langs de kust en (2) met zeer nauwkeurige hoogtemeters in satellieten. Satellieten meten alleen op volle zee, peilschalen meten alleen in ondiep water en zij meten het verschil tussen veranderingen in het zeeniveau en daling of stijging van het land. Het compileren van peilschaalmetingen tot een wereldgemiddelde zeespiegelstijging (GSML) is niet eenvoudig. Er bestaat nog geen standaard database met peilschaalmetingen waaruit de GSML regelmatig kan worden bijgehouden. Voor de trends zijn we aangewezen op afzonderlijke publicaties. In figuur 9 zijn de drie meest uitgebreide trendstudies weergegeven (bron: IPCC-rapport 2013, figuur 3.13c).  Het IPCC berekent hieruit een gemiddelde zeespiegelstijging van 1,7 mm per jaar over de periode 1880-2010. De (door mij ingetekende) rode trendlijn laat zien, dat de trend niet helemaal lineair is, want over de periode 1900-1960 ligt het merendeel van de metingen onder de lijn, maar van 1880-1900 en van 1960-1980 ligt het merendeel boven de lijn. Er kan sprake zijn van een 60-jarige cyclus die gesuperponeerd is op een lineaire trend. Als dat zo is, dan is er geen sprake van een versnelling van de stijging van de zeespiegel. Figuur 10 en 11: Zeeniveau volgens satellietmetingen Satellietmetingen laten sinds 1993 een vrijwel lineaire trend zien. Figuur 10 geeft de gemiddelde zeeniveaus over perioden van 10 dagen, figuur 11 geeft van elke 10-daagse periode het verschil ten opzichte van een jaar eerder. In figuur 10 is een jaarlijkse cyclus te zien met pieken tijdens El Niño’s en dalen tijdens La Niña’s. De zwarte lijn geeft de voortschrijdende trend over perioden van 2 jaar. De rode lijn geeft de beste trendlijn voor de hele periode. De getekende functie met een kleine negatieve kwadratische term geeft de hoogste R^2, die overigens niet significant verschilt van een lineaire functie (R^2 = 0,9875 versus 0,9871). In figuur 11 geeft de zwarte lijn eveneens de voortschrijdende trend over perioden van 2 jaar. De golfbeweging in deze lijn laat de effecten zien van de onregelmatige El Niño-cycli. Vooral tussen 2010 en 2012 schommelde de stijgsnelheid sterk. De rode lijn geeft de lineaire trend die helemaal vlak is. In de periode van eind 1992 tot begin 2015 is de zeespiegel gemiddeld 3,4 mm per jaar gestegen. Dat is tweemaal zo snel als volgens peilschaaldata in de periode 1880 tot 2010, maar dit wil niet zeggen, dat deze stijging zo verder gaat. Waarschijnlijk zitten we thans in de opgaande fase van de 60-jarige cyclus. Het is dus mogelijk, dat de stijging de komende 30 jaar zal vertragen. Als dat zo is, dan kan rond het jaar 2100 de zeespiegel 20 tot 30 cm hoger staan dan thans. Het Deltaplan voor de Nederlandse kustbeveiliging dat uitgaat van 80-100 cm zeespiegelstijging lijkt dan ook ruimschoots voldoende. Figuur 12 Noordpoolijs De poolkappen smelten. In september 2007 was de omvang van het Noordpoolijs nog maar 4,3 miljoen vierkante kilometer, dat is 123 maal de oppervlakte van Nederland. Doemdenkers in dat jaar voorspelden een ijsvrij Noordpoolgebied in september 2012. Een schoolvoorbeeld van alarmisme, want in de daaropvolgende jaren herstelde het ijs zich, tot in september 2012 een nieuw dieptepunt werd bereikt van 3,61 miljoen km2, nog maar 103 maal Nederland. Maar in 2013 en 2014 herstelde het ijs zich opnieuw. Het Noordpoolijs heeft in maart zijn grootste omvang en in september zijn kleinste.  De trend in de omvang in maart is ook dalend, maar minder sterk dan die van het september- ijs. De jaarlijkse gang in de omvang van het ijs neemt dus toe. In figuur 13 zijn de trends voor iedere maand weergegeven. Daaruit blijkt dat de lijnen divergeren en dat de trend in de omvang van het september-ijs -0,087 miljoen km2 is. Als deze trend aanhoudt, kunnen we over 50 jaar in september een geheel ijsvrij Noordpoolgebied verwachten. Maar de uitschieters naar boven en naar beneden kunnen wel 2 miljoen km2 bedragen, zoals de stand van 2012 laat zien. Dat betekent, dat al 23 jaar eerder incidenteel een ijsvrij poolgebied kan worden waargenomen.  Een ijsvrije Noordpool (zonder dat het hele gebied ijsvrij is) kan al veel eerder worden gezien. Er is namelijk geen enkele reden waarom de Noordpool het koudste plekje zou moeten zijn. Greenpeace kan volgend jaar misschien al wel een CO2 uitstotende helicopter naar de Noordpool sturen om daar opnamen van te maken. Figuur 13 Noordpoolijs, trends voor elke maand De afname van de omvang van het poolijs aan het eind van de winter gaat half zo snel als die van het zomerijs. Een Noordpoolgebied waarin zich in de winter helemaal geen ijs vormt is dan ook voorlopig niet te verwachten. Volgens de trend in deze figuur duurt dat nog bijna 350 jaar, maar het is uiteraard onzin om een trend van 36 jaar tienmaal zo lang door trekken. Dat laten we liever aan de klimaatalarmisten over. Hoe zou het komen dat het Noordpoolijs smelt? ‘Natuurlijk door de opwarming’, zal de gemiddelde lezer van een Nederlandse kwaliteitskrant roepen, gehersenspoeld als hij is door de klimaatberichtgeving. Toch is dat iets te simpel want er is meer aan de hand. Verschuivingen in de dominante windrichtingen kunnen grote gevolgen hebben voor het poolijs. Een zomerstorm die in het poolgebied enige weken aanhield was in augustus 2012 de oorzaak van het dieptepunt in de ijsbedekking: in juni en juli 2012 lag de ijsbedekking nog op de trendlijn,maar in augustus dook hij er 1,5 miljoen km2 onder en dat werd in september nog iets meer. In oktober en november 2012 zat de ijsbedekking weer op de normale trendlijnen. Overigens is afnemende ijsbedekking in het Noordpoolgebied geen één-op-één indicator voor de gemiddelde globale opwarming. Er zijn geen metingen van de ijsbedekking van voor 1979, maar uit historische beschrijvingen is bekend, dat er ook rond 1940 en rond 1910 perioden met weinig poolijs zijn geweest. En waarschijnlijk was de poolzee in de ijstijd, 20.000 jaar geleden, helemaal ijsvrij. Het ijs had zich toen helemaal op het land teruggetrokken. Een ijsvrije Noordpool kan best de inleiding zijn voor het ontstaan van veel meer landijs. Figuur 14 Zee-ijs rond Zuidpool Aan de andere kant van de aardbol gebeurt iets anders. Figuur 14 laat zien, dat de omvang van het zee-ijs rond het Zuidpoolgebied, Antarctica, een licht stijgende trend vertoont. Dat is niet genoeg om de afname van het zee-ijs rond de Noordpool te compenseren: de totale omvang van het zee-ijs in beide poolgebieden neemt af. Maar dit verschil tussen de beide poolgebieden is wel interessant, want ook op het zuidelijk halfrond stijgt de CO2-concentratie in de atmosfeer. Als CO2 de oorzaak is van de afname van het zee- ijs aan de Noordpool, waarom gebeurt dat dan aan de andere kant van de wereld niet? Er zijn wel verklaringen voorgesteld. Het landijs van Antarctica zou sneller smelten, in overeenstemming met de opwarmingstheorie. Dat zou tot gevolg hebben, dat de wateren rond Antarctica veel zoet smeltwater van nul graden bevatten, wat erg bevorderlijk zou zijn voor de vorming van zee-ijs. Daarmee is de theorie voorlopig gered, hoewel overtuigende cijfers die deze noodsprong onderbouwen voorlopig ontbreken, zodat de theorie voorlopig de schijn tegen heeft. Want een theorie die tegengestelde verschijnselen verklaart uit dezelfde oorzaak lijkt meer op een ideologie dan op een wetenschap. Figuur 15 Omvang van het Noordpoolijs Hoe erg is het, dat er in de zomer steeds minder Noordpoolijs overblijft? In een recente studie van het Centraal Planbureau werd gesteld, dat het voor Rotterdam een groot economisch voordeel zou zijn als de zeeweg van China naar Europa via de poolzee beschikbaar zou komen. Naar deze noordoostelijke doorvaart werd door Willem Barents in 1597 al gezocht. Hoe verzonnen ze het, midden in de Kleine IJstijd! Tegenwoordig is de route in augustus en september ijsvrij, maar voordat  commerciële zeetransporten op grote schaal mogelijk worden moet er nog wel wat meer ijs smelten, want in juli zit de route nog dicht en in oktober al weer.  Minder ijs rond de Noordpool in de zomer heeft tot gevolg dat minder zonnestralen worden weerkaatst. Het donkere zeewater weerkaatst de zonnestralen niet, maar absorbeert de warmte. Smeltend ijs kan dus leiden tot versterking van de opwarming. Dit argument is koren op de molen van de opwarmingsalarmisten. Door de extra opwarming na het jaarlijkse smelten van het ijs zou het arctische klimaat een omslagpunt kunnen passeren, vanwaar geen weg terug is. Dit argument deed het in 2009 en 2010 heel goed in de aanloop naar de roemruchte klimaatconferentie in Kopenhagen, maar het moet niet overdreven worden. De periode waarin het zee-ijs rond de Noordpool minimaal is, is niet lang. Op het moment dat de zon op zijn hoogst staat (21 juni) is de hele poolzee, inclusief de Hudsonbaai en de wateren rond Groenland nog bedekt met ijs. In juli smelt de Hudsonbaai en pas in augustus en september is de hele Siberische kust en het grootste deel van de Canadese kust ijsvrij. Maar dan staat de zon daar al weer vrij laag, zodat de versterking van de opwarming mee valt. Klik hier om de kaartjes vanaf 1978 per maand te zien. Het IPCC verwacht in zijn rapport van 2013 niet dat het smelten van het Noordpoolijs leidt tot onomkeerbare en abrupte klimaatveranderingen. Geen enkel zee-ijsmodel geeft deze uitkomst. Tenslotte: de ijsberen. Trucfoto’s van een ijsberen op smeltende ijsschotsen zijn een leuk propagandamiddel voor Greenpeace en aanverwante groene lobbyorganisaties, maar de feiten zijn, dat de bestaande ijsberenpopulaties in Canada, Groenland en Spitsbergen het nog nooit zo goed gedaan hebben. De ijsbeer houdt zich in leven door op het zee-ijs te jagen op zeehonden als die hun kop door een gat in het ijs steken. Als er geen zee-ijs is, moet de ijsbeer het een aantal maanden op een andere manier proberen vol te houden. Hij kan gaan stropen langs de kusten van Groenland en de Hudsonbaai om de daar zonnebadende zeehonden op te eten. Beren zijn er bovendien op gebouwd om het weken of maanden zonder voedsel te stellen. De ijsbeer stamt af van de bruine beer en heeft zich 200.000 jaar geleden aangepast aan het poolklimaat. In die tijd zijn er perioden geweest zonder zee-ijs. De ijsbeer heeft dat overleefd. Hij kan nog steeds gekruist worden met de bruine beer. De witte vacht heeft het voordeel, dat de ijsbeer minder opvalt in het ijslandschap, zodat zeehonden zich gemakkelijker door hem laten verrassen. Als er helemaal geen poolijs meer zou zijn, is die witte vacht niet meer nodig en dan zullen zijn nakomelingen over 1000 generaties waarschijnlijk geen witte vacht meer hebben. Zou dat erg zijn? Ik denk het niet. Het Nederlandse klimaat Figuur 16 Gemiddelde temperatuur in De Bilt sinds 1901 Ook in Nederland is de temperatuur gestegen, maar het is de vraag hoeveel dat te maken heeft met de globale opwarming. Vergelijking van deze figuur met figuur 1 laat nogal wat verschillen zien. De globale stijging van 1910 tot 1940 zien we in Nederland niet zo duidelijk. De lichte daling van de globale temperatuur van 1940 tot 1970 is in Nederland ook te zien, en de stijging van 1970 tot 1997 ging in Nederland twee maal zo hard als globaal.  Ondanks de opwarming sinds 1970 heeft Nederland nog enkele zeer koude jaren gekend in 1979, 1985, 1986, 1987, 1996 en 2010. Het jaar 2014 was record warm met 11,7 graden, maar omdat 2010 met 9,2 graden sterk achterbleef en 2013 ook koud was met 9,8 graden is er nog geen stijgende trend te zien in de jaargemiddelden. De variatie is daarvoor te groot.  De oorzaak van de opwarming van Nederland ligt zeer waarschijnlijk in stromingspatronen. De wereldwijde westelijke straalstroom is de laatste decennia vaker dan vroeger persistent geweest. Dat verhindert bij ons in de winter het optreden van vorstperioden van betekenis. Maar soms wordt die straalstroom een paar weken of een maand geblokkeerd, en dat kan aanhoudende zuidenwinden veroorzaken die in de zomer tot hittegolven kunnen leiden.   Een oorzakelijk verband tussen blokkades van de straalstroom en broeikasgassen is niet bekend. Een oorzakelijk verband tussen het record van 2014 en de globale opwarming is ook niet bekend. Dat mag uit deze feiten wel duidelijk worden. Maar wie dat in een - zich kwaliteitskrant noemend - dagblad durft te schrijven wordt door de voltallige klimaatlobby onder aanvoering van weermannen Hiemstra en Kuypers Munneke en wetenschapsjournalist Keulemans uitgemaakt voor opwarmingsontkenner. En dan citeer ik nog een van de meest vriendelijke bejegeningen die mij in november 2014 ten deel vielen. Figuur 17 Gemiddelde temperatuurafwijking per maand sinds 1997 Een jaargemiddelde voor de temperatuur in De Bilt zegt op zich niet zoveel. Op langere termijn kunnen de te koude en te warme maanden elkaar aardig in evenwicht houden. Maar het kan voorkomen dat stromingspatronen van noord naar zuid zich voortdurend herhalen, zodat ook wel eens 10 opeenvolgende maanden te warm zijn. Als die 10 opeenvolgende maanden toevallig binnen één kalenderjaar vallen (stromingspatronen kijken nu eenmaal niet op de kalender) dan kan een jaargemiddelde uitzonderlijk hoog uitvallen. Dat gebeurde in 2014. In figuur 17 is per maand sinds 1997 aangegeven hoeveel die maand te warm of te koud was. ‘Te warm’ of ‘te koud’ betekent warmer of kouder dan het klimatologische gemiddelde voor die maand. De zwarte lijn is de trendlijn. Deze loopt helemaal vlak, met andere woorden: er is geen trend. Sinds 1997 houden de te warme en te koude maanden elkaar ten opzichte van deze lijn volledig in evenwicht. Anders gezegd: er is sinds januari 1997 geen sprake van een doorgaande opwarmingstrend. Maanden die 2 tot 4 graden kouder waren dan de trendlijn kwamen sinds 1997 even vaak voor als maanden die 2 tot 4 graden warmer waren. Ik weet, dat velen dit niet zullen geloven, met dank aan de hersenspoelende klimaatberichten in de kwaliteitskranten, maar de feiten liegen niet. Weerman Peter Kuipers Munneke noemt deze analyse ‘net zo lang grabbelen in een bak met cijfers tot je iets vindt dat je mening onderbouwt’ (Volkskrant 7 november 2014). Ik weet niet wat zijn definitie van grabbelen is.  Ik versta daar iets anders onder dan het gebruiken van de gegevens van alle dagen in een aaneengesloten periode van meer dan 18 jaar. Maar zijn Pavlov-reactie illustreert op treffende wijze, dat een normale publieke gedachtewisseling niet mogelijk is over wat er werkelijk met het klimaat gebeurt. Figuur 18 Tropische dagen in De Bilt Ook deze grafiek geeft feiten die velen waarschijnlijk niet zullen geloven: er kwamen in de jaren 40 van de 20ste eeuw ongeveer even veel hete dagen (met maximumtemperatuur van 30 graden of meer) voor als rond de eeuwwisseling. Het absolute warmterecord van 36,8 graden werd genoteerd op 26 juni 1947, in het jaar met veruit het meeste tropische dagen (18), op afstand gevolgd door 1976 (14) en 2006 (13). Na het jaar 2000 is de trend niet stijgend maar dalend. Het KNMI verwacht in zijn klimaatscenario’s (2013) dat het aantal hete dagen in de toekomst sterk zal toenemen. Op grond van de historische feiten is er geen enkele aanleiding voor deze verwachting. De computermodellen waarop het KNMI zijn verwachting baseert hebben hun bruikbaarheid nog niet bewezen. Integendeel: in retrospectief kunnen deze modellen gefalsificeerd worden. Er is geen enkel verband aantoonbaar tussen hete dagen in Nederland en globale opwarming of CO2-concentratie. Hetzelfde geldt voor de verwachting (van o.a. KNMIO en PBL) dat in de toekomst - ook in Nederland - meer mensen zullen overlijden door klimaatverandering. De globale sterftecijfers zijn door het IPCC (2007) opgekrikt door de sterfte aan malaria mee te rekenen als klimaatsterfte. Dat klopt niet, omdat (1) er geen verband is aangetoond tussen klimaatverandering en toename van malaria en (2) omdat wereldwijd de sterfte aan malaria afneemt. Voor Nederland werkt deze truc helemaal niet, omdat malaria hier nauwelijks voorkomt. Sterfte door het klimaat zou in Nederland alleen het gevolg kunnen  zijn van hete dagen. Maar in de jaren met veel tropische dagen was het sterftecijfer niet hoger dan in de jaren met weinig van zulke dagen. Het kan zijn, dat de sterfte onder zwakke oude mensen tijdens hittegolven toeneemt. Dit zijn over het algemeen mensen waarvoor een paar hete dagen waarin ze te weinig drinken het laatste zetje zijn naar de dood. Zonder die hete dagen in de zomer zouden die mensen in september of oktober sterven, zodat het sterftecijfer van een jaar niet wordt beïnvloed door een hittegolf in de zomer. Figuur 19 IJsdagen in De Bilt Ik denk, dat vriend en vijand het er wel over eens zijn, dat we ‘vroeger’ in Nederland strengere winters hadden dan tegenwoordig. Deze figuur laat dat overtuigend zien, als we ‘vroeger’ tenminste beperken tot ‘na 1935’. In de jaren 40 waren er 4 strenge winters, met de winter van 1946/1947 als absolute top. Voor 1935 waren de winters gemiddeld lang niet zo streng. De voortschrijdende trendlijn geeft omstreeks 1910 evenveel ijsdagen als rond 2014. Dankzij 20 ijsdagen in 2009/10, 15 in 2010/11, 13 in 2011/12 en 13 in 2012/13 heeft de trendlijn sinds 2003 weer een opmars gemaakt en het niveau van begin jaren ’80 weer bereikt. De winter van 2012/13 heeft ongeveer 10 georganiseerde toertochten mogelijk gemaakt. Inmiddels daalt de trend weer, mede door de nul ijsdagen in 2013/14 en de ene ijsdag in 2014/15. Jaren met nul ijsdagen hebben zich sinds 1901 zeven keer voorgedaan, in 1910, 1951, 1974, 1989, 1999, 2006 en 2013. Twee vallen in de eerste helft van de periode, vijf in de tweede helft.   Hoewel deze aantallen te klein zijn voor een statistische conclusie, lijkt de trend wel te zijn, dat ijsvrije winters geleidelijk vaker voorkomen. Het optreden van minder vorstperiodes is in overeenstemming met de theorie van het broeikaseffect. Dit effect treedt namelijk vooral op in de winter en in de nacht. Het gaat om verminderde uitstraling, niet om verhoogde instraling. Maar het verschil in aantal ijsdagen tussen de jaren 40 en de periode 1998-2008 is te groot om alleen aan het broeikaseffect toe te schrijven. Veranderde stromingspatronen met overheersende westenwinden zijn waarschijnlijk de belangrijkste oorzaak van de mildere winters. Het is niet ondenkbaar, dat we met de veranderende zonnecyclus en het omslaan van de Noord-Atlantische Circulatie aan het begin staan van een periode met meer koude winters dan in de laatste decennia. Ik verwacht de eerstvolgende Elfstedentocht in 2020. Figuur 20 Regen in De Bilt Vrijwel elke extreme regenbui wordt in de media gezien als ‘een gevolg van de klimaatverandering waar we maar beter aan kunnen wennen’. In de zomer van 2014 zagen we vele keren op de televisie beelden van ondergelopen straten en stadcentra. ‘Veel meer extreme buien dan vroeger’  was de algemene opinie. Beelden van weggespoelde auto’s en huizen in rivierdalen in Frankrijk, Italië en Engeland ondersteunden dit. Maar hoe bijzonder waren de buien van 2014? Figuur 20 laat zien, dat de totale neerslag per jaar in De Bilt is gestegen van 760 mm in 1906 naar 850 in 2014. Dat is een stijging van 12%. Verder valt op, dat de spreiding van de punten rond de trendlijn niet groot is: 90% van de punten valt binnen een marge van 18% van de trendlijn. Slechts af en toe was er een bijzonder nat jaar (1912, 1965, 1966, 1998) met ongeveer 40% meer neerslag dan gemiddeld. Iets vaker was er een bijzonder droog jaar (1921, 1933, 1959, 1971, 1976, 1982, 1996, 2003) met 30-50% minder neerslag dan gemiddeld. De natste tweejarige periode was 1965-1966 met 2300 mm neerslag in 24 maanden. Ons klimaat is dus in bijna 110 jaar geleidelijk natter geworden, zonder duidelijke relatie met de globale opwarming of met de opwarming in Nederland. Maar hoe zit het met de extremen? Nemen die toe vanwege de globale opwarming? Bij enkele wolkbreuken die ik zelf in 2014 meemaakte was een relatie met de globale opwarming niet aan te geven. Op 26 juli 2014 maakte  een vrij klein regengebied een paar cirkelbewegingen tussen mijn woonplaats Ommen en het nabijgelegen Dedemsvaart en Balkbrug. Ik heb het op de buienradar kunnen volgen. Als gevolg daarvan stonden in de drie genoemde plaatsen vele straten blank, ook in mijn straat en mijn tuin (zie foto hiernaast). Binnen een paar uur was dat weer weg, maar Ommen en Balkbrug haalden wel het 8 uur journaal op NPO1. Figuur 21 Natste dagen (meer dan 50 mm) in De Bilt, 1906 - 2014 Neemt het aantal dagen met dergelijke extreme neerslag toe? Er is geen reden om dat aan te nemen. De 10 natste dagen (meer dan 50 mm op één dag in De Bilt) sinds 1906 zijn aardig verdeeld over de hele eeuw. De natste dag was 13 oktober 2013, welke dag op de voet wordt gevolgd door 8 januari 1917.  De derde plaats is voor 19 juli 1966, vrij precies tussen de nummers 1 en 2 in. Dagen met meer dan 50 mm neerslag waren er in de eerste helft van de period meer dan in de tweede helft, maar significant is dat verschil niet. Kijken we naar de wat minder extreem natte dagen (meer dan 20 mm op een dag), dan zien we wel een trend. Zie figuur 22. Tot 1956 waren er gemiddeld ongeveer 3 zulke natte dagen per jaar. Daarna steeg dit naar gemiddeld ongeveer 4,5 en op dat niveau bleeft het met een lichte inzinking rond 1986 gevolgd door een lichte stijging naar 5,5 per jaar. Dus: inderdaad, de laatste halve eeuw kwamen deze natte dagen vaker voor dan eerder. Maar een verband met de opwarming is niet aan te geven, want die begon mondiaal pas in 1975 en in Nederland pas in 1980. Figuur 22. Dagen met meer dan 20 mm neerslag in De Bilt Het lijkt dus wel mee te vallen met de extreme neerslag. Dat blijkt ook als we kijken naar de dagen met meer dan 30 of 40 mm neerslag (Figuur 23). Zulke natte dagen komen niet elk jaar voor, zodat het niet mogelijk is een trendlijn te geven.  Dagen met meer dan 30 mm neerslag kwamen van 1906-2014 88 keer voor, 49 keer voor 1960, 39 keer na 1960. Dagen met meer dan 40 mm kwamen 27 keer voor, 13 keer voor 1960, 14 keer na 1960. Een duidelijke trend is uit deze cijfers niet af te lezen. Voor wie in deze cijfers beslist een aanwijzing wil zien voor een toename van de extreme neerslag geef ik twee aanknopingspunten: (1) de enige jaren met 4 dagen waarop meer dan 30 mm neerslag viel waren 1998 en 2005 (2) vanaf 1998 waren er 3 jaren met 2 dagen waarop meer dan 40 mm neerslag viel, voor 1998 was er maar één zo’n jaar (1930).  Maar het mag duidelijk zijn, dat dit slechts anecdotische aanwijzingen zijn, waaruit geen enkele conclusie omtrent een trend is af te leiden. Figuur 23 Dagen met meer dan 30 en 40 mm neerslag in De Bilt
Klimaatmonitor
Een regelmatig bijgehouden monitor van de belangrijkste indicatoren voor klimaatverandering, mogelijke oorzaken en gevolgen door Frans Dijkstra, onafhankelijk klimaatonderzoeker